Het voorkomen van straffeloosheid

’’Mooi! Deze vrouwen kozen er bewust voor om uit te reizen naar IS-gebied. Zij vormen nog altijd een groot gevaar voor Nederland. Wij willen ze hier niet terug en wat ons betreft hebben ze het recht op Nederlandschap verloren. Daar berechten!’’ Twitterde Dilan Yesilgöz, toenmalig VVD-Kamerlid, toen de Hoge Raad in 2020 besloot dat de Nederlandse staat zich niet actief in hoefde te spannen voor het terughalen van Nederlandse Syriëgangers. Dit was dan ook in lijn met het al gevoerde, begrijpelijke kabinetsbeleid.

Toch werd in 2021 IS-vrouw Ilham B. met haar twee jonge kinderen opgehaald uit Syrië. Dit zorgde uiteraard voor de nodige ophef in de Kamer: het beleid van het kabinet was immers om zich niet actief in te spannen voor het terughalen van deze jihadbruiden. Als dit dan toch gebeurt, behoeft dat uiteraard een duidelijke uitleg. Volgens de toenmalige minister van Justitie (Grapperhaus) deed zich een ‘’uitzonderlijke gelegenheid voor om de verdachte en haar kinderen naar Nederland over te brengen.’’ Dat is duidelijk, de vraag blijft echter wel: waarom werkt de regering daar actief aan mee?

De reden: het voorkomen van straffeloosheid. Als B. niet op tijd teruggehaald zou worden om haar proces bij wonen, zou de Staat haar recht op vervolging verliezen en de zaak gesloten moeten worden. Zo zou B. daarna terug kunnen keren in onze maatschappij, zonder enige consequentie, straf of maatregel. Je kunt immers niet twee keer voor hetzelfde feit worden berecht – een belangrijk beginsel van onze rechtsstaat, die we niet uit het oog mogen verliezen. Ook niet onder deze omstandigheden.

En zo werden begin februari weer vijf IS-vrouwen (met hun 11 kinderen) vanuit Syrië overgebracht naar Nederland. Ook hier speelde het risico op mogelijke straffeloosheid een grote rol; de rechter heeft aangegeven dat de zaak gesloten zou worden als deze vrouwen niet terug zouden keren naar Nederland, en zo geschiedde. We leven immers nog altijd in een rechtsstaat, waar ook de overheid zich aan rechtelijke uitspraken moet houden.

Het is duidelijk dat het risico op straffeloosheid inmiddels zwaarder weegt. Zo zegt ook Dilan Yesilgöz, inmiddels de huidige minister van Justitie:  „Afgelopen jaren is het voorgekomen, net als nu, en misschien de komende tijd nog een paar keer. Juist om te voorkomen dat ze er straffeloos vandoor kunnen.”

De uitleg is helder, maar toch schuurt het. We zijn het allemaal eens met de belangrijke beginselen waarop onze rechtsstaat is gebouwd en dat geen enkele terrorist(e) straffeloos moet kunnen terugkeren in de maatschappij. De fundamentele vraag is echter of deze vrouwen wel kunnen terugkeren in de maatschappij, en zo ja, wanneer is dat veilig genoeg?

Het is bekend dat de uitgedeelde straffen aan IS-vrouwen niet bepaald hoog zijn – zo werd vier jaar geëist tegen Siobhan W., net als tegen uitreizigster Fatima H. – wat betekent dat terugkeer in de maatschappij na een aantal jaar al mogelijk is, wat niet wenselijk is. Als dat al zou moeten gebeuren, zou dat enkel onder strenge voorwaarden en vooral streng toezicht moeten gebeuren. Dit kan dus niet als de vrouwen straffeloos terugkeren naar Nederland, wat exact het belang onderschrijft van het terughalen. Dit brengt dus wel het risico van een lage straf in Nederland met zich mee.

Of deze straffen ook recht doen aan de gruweldaden waar deze IS-vrouwen (mogelijk) bij betrokken zijn geweest? Vanwege het gebrek aan bewijs – dat is voornamelijk in Syrië te vinden – blijven straffen waarschijnlijk laag uitvallen, wat zeer onwenselijk is. Deze straffen lijken niet in verhouding te staan tot de begane misdaden. Als berechting dan toch hier moet plaatsvinden, is het tijd om het maatschappelijk debat te voeren over de hoogte van de straffen. Misdaad mag niet lonen, is het credo geweest van onze regering, en dat moet ook gelden voor het deelnemen – of erger – aan een terroristische organisatie.

 

Alexandra Sloot

JOVD Groningen 2022