De liberale paradox van de sterke staat

Waar Mark Rutte, liberaal lijsttrekker en in de vrije tijd demissionair minister-president, vroeger luidruchtig de draak stak met de overheid als hoeder van ons collectieve geluk, zien wij in het huidige VVD-verkiezingsprogramma een opvallende revival van de sterke staat. Hard nodig, zegt het programma Klaas Dijkhof na, om de rafelranden van het kapitalisme af te hechten. Ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar ik word nogal eens aangesproken op deze ogenschijnlijke breuk met het liberale erfgoed. Ten onrechte, lijkt mij.

Dat corona ons richting Keynes manoeuvreert, waardoor Rutte-3 met steeds zwaardere zandzakken belastinggeld onze economie probeert te stutten, is nog te beschouwen als crisismanagement. Crisis gaat per definitie de ideologische grenzen van het politieke denken te boven. Maar de omarming van de sterke staat in het huidige liberale verkiezingsmanifest gaat dieper dan helikoptergeld in crisistijd.

Of, om de beoogd leider van Rutte-4 zelf te citeren in diens open brief van vorige week: ‘…want er is veel te doen! Met de volgende drie dingen gaan we na de crisis als het aan mij ligt in elk geval direct aan de slag:

  1. Zorgen dat mensen werk hebben en dat onze economie weer gaat groeien.
  2. De zorg versterken, ook om beter voorbereid te zijn op een volgende gezondheidscrisis.
  3. Een sterke overheid, met een menselijk gezicht én de kracht om mensen te beschermen.’

Al vanaf de oprichting van de VVD, net na de Tweede Wereldoorlog, is er discussie over de vraag of de overheid grenzen moet stellen aan de individuele vrijheid. Het ‘gewoon lekker jezelf zijn’ van Hans Wiegel en de vroege Mark Rutte lijkt het best te landen in het liberale discours van bier, bretels en bitterballen. Maar het weerhield liberale roergangers als Bolkestein er niet van om de staat de taak toe te dichten om stevige kaders te stellen. Juist om een omgeving te creëren waarin de individuele vrijheden optimaal kunnen floreren. Hartstikke liberaal toch? Jozias van Aartsen zat op een vergelijkbare denklijn, wanneer hij stelde dat het individu in vrijheid moet kunnen kiezen voor de mate waarin hij de overheid wil zien ingrijpen in het eigen privéleven. Voor menig liberaal een vorm van ideële knechting of politiek masochisme. In die zin lijkt Rutte soepel mee te bewegen met de groeiende wens tot een sterkere regierol voor de overheid. Dat kan heel wel te maken hebben met wat tegengas tegen de sterk toenemende schreeuw om meer overheid bij de oppositie. Maar het is naar mijn mening beslist niet strijdig met de grondwaarden van het liberalisme.

In essentie betekent liberalisme dat ieder van ons zich in gelijke mate en in optimale vrijheid kan ontwikkelen, zonder knellende staatsinmenging. Maar diezelfde vrijheid betekent ook dat een staat moet zorgen dat er méér is dan het kille recht van de sterkste. Dat wij een leefbaar klimaatbeleid voeren bijvoorbeeld, of dat er een cultuuraanbod is dat ons vrije denken voedt. Dat zijn geen linkse hobby’s, maar oer-liberale beginselen van een overheid die onze materiële én immateriële vrijheden beschermt middels sterke instituties. Wij hebben wat mij betreft meer dan ooit behoefte aan een sterke staat, die onze individuele vrijheden optimaal beschermt. Juist om ons af te zetten tegen de socialistische reflex van ‘Vadertje Staat weet wat goed is voor jou en dat gaan we tot in de haarvaten van de maatschappij collectief afdwingen’.

Dat lijsttrekker Rutte uitroept dat ‘Nederland eigenlijk diep socialistisch is’, is verre bezijden de waarheid, gelukkig. Maar dat liberaal Rutte nu opteert voor een sterkere overheid, om zo onze individuele vrijheid te beschermen, dat is een staatsrechtelijke opvatting die al goed viel bij liberale voorvaderen als Immanuel Kant. Er waait een frisse wind door het laat-maar-waaien-liberalisme.

 

Jesse Jacobs
Hoofdredacteur De Jonge Liberaal