Het kabinet kiest het hazenpad

Eerder schreef ik in de Jonge Liberaal over het ‘Syrië dossier’ en hoe dit akelige voorval in elk normaal scenario tot het aftreden van onze minister van Defensie zou hebben geleid. Door Corona lag de aandacht van het publiek echter even niet bij dit soort schandalen en dus was hier voor oppositie noch kabinet veel schandaal (lees: politiek gewin) te halen. Een motie van wantrouwen van de SP kon dan ook niet op een meerderheid rekenen. Mijn kritiek toentertijd was dat het kwalijk was dat een majeure crisis als Corona kennelijk kan leiden tot algemene desinteresse voor bestuurlijke normen zoals het nemen van verantwoordelijkheid. De storm woei over, dus de minister bleef zitten. Alhoewel ik nog steeds achter dat standpunt sta, zie ik vandaag ook de schaduwzijde: het kabinet treedt af onder druk van de toeslagenaffaire.

De bestuurlijke norm die we nu gebruiken om het kabinet de facto tot aftreden te forceren, is echter niet persé de democratisch meest wenselijke route. Deze norm, bestuurlijke  verantwoordelijkheid, betekent in mijn optiek namelijk niet alleen dat ernstige misstanden zoals de toeslagenaffaire gevolgd moeten worden door politieke sancties. Het betekent ook dat in tijden van crisis, wanneer leiding essentieel is, een minister (of in elk geval de regering) juist niet aftreedt voordat de gemaakte fout ten diepste besproken, geanalyseerd én hersteld is. Ook moet de minister in kwestie naast het verdedigen van het beleid en het geven van uitleg aan de kamer, maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst niet meer gebeurt. Dit, zoals oud-vicepresident van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink terecht heeft opgemerkt, is de essentie van ministeriële verantwoordelijkheid. Dit geldt voor ministers, maar al helemaal voor een kabinet.

Het aftreden van een voltallig kabinet, zonder diepgaand debat en puur om geloofwaardigheids- en electorale redenen, is tactisch best begrijpelijk, maar tegelijkertijd het tegenovergestelde van verantwoordelijkheid nemen. We willen natuurlijk geen precedent creëren waarin grove fouten geen consequenties kennen, maar symbolische gebaren zoals de aftreding vandaag van het hele kabinet, slaan de plank compleet mis.

Misschien nog meer tergend dan het opportunistische en in mijn optiek ook roekeloze aftreden van het kabinet, is het gebrek aan zelfreflectie bij Kamer en oppositiepartijen. De zaden van de toeslagenaffaire, die al terug gaan naar de ‘Bulgarenfraude’ in 2013, zijn destijds mede door diezelfde oppositie geplant. De hele Tweede Kamer stemde toen in met het wetsinitiatief van staatssecretaris Frans Weekers, ondanks de vele protesten van Pieter Omtzigt, die de huidige problematiek toen al voorspelde. Alle amendementen van Omtzigt werden luchtigjes weggestemd, van links tot rechts!  Ook dat maakt dat het parlement beter doet aan enige zelfreflectie, in plaats van suggereren dat Barbertje hangt en de zaak daarmee is afgedaan.

De Wet Kinderopvangtoeslag bood, geheel bewust, zo weinig mogelijk flexibiliteit. Het kan dan ook niet verrassen dat stringente uitvoering van die wet tot de resultaten heeft geleid die we nu zien. Het is terecht dat het kabinet wordt gezien als hoofdverantwoordelijke, dat hoort bij de baanomschrijving. Maar de zelfgenoegzame wijze waarmee de oppositie nu claimt dat rechts beleid (‘De Rutte-doctrine’) oorzaak van de affaire is, is ronduit ongeloofwaardig én onverantwoordelijk. Geeft Jesse Klaver daarmee toe dat zijn partij in 2013 nog rechts was?

Waarmee ik maar wil pleiten voor een onsje meer bestuurlijke en parlementaire zelfreflectie. Dit geldt voor de eigenwijze domineesvingertjes van de oppositie, maar evenzo voor het kabinet, dat hier toch wel heel opportunistisch kiest voor de snelste weg naar de nooduitgang.

 

Jesse Jacobs
Hoofdredacteur De Jonge Liberaal 2020