Democratisch denken

Democratie is een tweesnijdend zwaard: Aan de ene kant geeft ze een uitlaatklep aan elke groep mensen wiens ongenoegen een bedreiging kan vormen voor het bestaan van de staat; wat ooit een Franse revolutie tot gevolg had vindt nu uiting in een publiek debat en bestuurders die vroeger op wrede wijze vermoord werden, worden nu vredig weggestemd dankzij de democratie. Daarbij worden de problemen van de inwoners van een land serieus genomen omdat zij de macht hebben. De staat, dat is niet enkel de zonnekoning, dat zijn wij allemaal.

De andere kant is dat het bestuur van een land onderworpen is aan de karaktertrekken van het volk. Het is hierdoor vrij lastig om beleid te voeren op basis van overkoepelende analyses en vooruitziende blikken. Het hebben van een fatsoenlijke boekhouding lijkt al voor veel landen onmogelijk. Zoals de boer niet vreet wat hij niet kent, zo is er ook geen meerderheid voor dat wat de mensen niet ervaren.

Dit komt tegenwoordig misschien wel het duidelijkst tot uiting in de klimaatdiscussie. Hier zien wij ter linker zijde gedreven intellectuelen bezig zijn het volk te verheffen tot lange termijn visies en idealen van aardse harmonie. Ter rechter zijde zijn de Thierrys van deze wereld bezig vergezichten te schetsen die alle zorgen om het klimaat terzijde schuiven als waanbeelden en waarin het belangrijk is om niet te vervallen tot oikofobie.

Tussen dit ideologisch geweld in staat, met de grootste partij van het land onder zijn vleugels, onze president Mark Rutte met het citaat: “Wie visie heeft moet naar de oogarts.” Je zou kunnen zeggen dat Mark zelf naar de oogarts moet – hij is daar overigens al geweest – of dat zijn partij ideologisch zo blind is als een kwartel maar daarmee passeer je een subtiel punt. Onderliggend aan de politiek van de hedendaagse VVD is geen ideologisch gedraaf twistedtrmaar een begrip en respect voor het functioneren van de democratie. Deze democratie baseert zich op een volk dat leeft in vrijheid. Het kunnen denken vanuit deze basis is de ware kracht waar de VVD op drijft en ik hoop deze kracht in het volgende aan u te openbaren.

De oorsprong van de democratie

Democratieën begonnen als antithese op de aristocratie. In het begin was er geen ander bestuur denkbaar dan door degene die – door iets dat we tegenwoordig marktwerking noemen – op de hoogste positie terecht was gekomen. Dat dit gepaard ging met het vertellen van mythen, religieuze waanbeelden of ordinaire propaganda creëerde het geloof in een hogere klasse. Zo vertelde de kerk lang dat koningen door God aangesteld waren en hoeft men maar een paar uurtjes Jort Kelder te kijken of u wordt overspoeld door de verhalen over mensen die zich nobel en verheven wanen. Deze klasse was echter niet verder superieur dan in het feit dat ze een machtspelletje gewonnen hadden. De aap bovenop de rots is niet meer superieur dan een edele in zijn kasteel, de aap heeft enkel minder woorden en verhalen om zijn positie op de rots te bevestigen.

Het ontstaan van de democratie kan gezien worden als de definitieve breuk met de aristocratische mythevorming. Het geloof in een klasse die buitengewoon geschikt is om te regeren hield op bij het afschaffen van de heerschappij van zo’n klasse. Wat overbleef was een hoop mensen die gelijkelijk geschikt waren om te beslissen over de toekomst van een land.

Gelijkheid als feit

Er is een belangrijk verschil tussen gelijkwaardigheid en gelijkheid tot een doel. Het eerste kennen wij al uit het christendom en geldt als een gelijkheid volgens hetgeen dat waardeert, in eerste instantie God. Het tweede heeft een aardse betekenis en veronderstelt dat mensen evengoed tot iets geschikt zijn. Waar gelijkwaardigheid makkelijk terzijde geschoven kan worden als nietszeggend wanneer haar religieuze wortels verloren gaan, is het bij gelijkheid tot een doel misschien wel moeilijker om het niet als een fictie te zien. Zo ben ik nog nooit – en u, beste lezer, ook niet – twee mensen tegengekomen die even goed in iets waren. Wat betekent het dan dat iedere Nederlander gelijkelijk geschikt is om te beslissen over de toekomst van Nederland?

Omdat de voorgaande aanpak, waarin ik probeerde gelijkheid als gegeven aan te snijden, op nogal wat geneuzel uitkwam, zal ik voortgaan op de visie waarin gelijkheid geen constatering maar een houding is. Wat betekent deze houding en hoe komt ze tot uiting?

 

Gelijkheid als houding

Als jij doet alsof een ander gelijk aan je is, wat doe je dan? In een gesprek, of discussie, betekent het dat je jouw perspectief gelijkwaardig acht aan dat van een ander?
Deze perspectieven zijn echter niet gelijk aan elkaar. Ieder mens denkt anders en heeft andere dingen gezien waardoor er in ieder hoofd ook andere dingen gedacht worden. Gelijkwaardigheid betekent vervolgens dat we een derde, verheven, perspectief cultiveren en delen van waaruit onzer beide zienswijzen bekeken, doordacht en vergeleken kunnen worden.

 

Politieke kennisoverdracht

Normaliter is het geen probleem als de een iets weet dat de ander moet weten. Je vertelt elkaar iets en behoedt een ander ervan zijn vingers te branden aan een hete pan. Politiek is echter goeddeels een goor spel waarin mensen elkaar niet zomaar kunnen vertrouwen. In een democratie zijn we elkaar met onze grootste belangen de meest dierbare tent die we hebben aan het uitvechten. Daarom is iedereen wat kennis betreft in de politiek op zichzelf aangewezen. De kring van mensen die we politiek vertrouwen strekt niet ver en over de grenzen van partijen heen blijkt het vaak onmogelijk iets van elkaar aan te nemen. Daar zijn de verschillen in belang en instelling simpelweg te groot voor.

Kennisoverdracht in de politiek gaat hierdoor vaak wat stroef. Helemaal bij grotere problemen zijn bepaalde partijen, soms ook onterecht, eerder overtuigd van de ernst dan anderen. Zo kan het gebeuren dat een SP eerder problemen ziet omtrent onderbetaling in de publieke sector dan de VVD. Dit hoeft niets te maken te hebben met kwade wil maar is goedschiks te reduceren tot het feit dat de VVD met andere problemen bezig is en niet klakkeloos van een politiek opponent gaat aannemen dat er meer belastinggeld uitgegeven moet worden. In de politiek gaat kennisoverdracht moeizaam omdat iedereen bevestiging van een feit nodig heeft volgens zijn eigen wijze van denken en zien wil hij overtuigd worden.

 

Politieke toenadering

Als wij een houding aannemen waarin gelijkwaardigheid geldt, dan moeten wij buiten onze bubbel stappen en ervan uitgaan dat anderen in hun manier van kijken en nadenken evenveel waard zijn als wijzelf. Dit kan ontheemd voelen, en je zelfs van je idealen vervreemden, maar is tevens impliciet aan democratie. In een democratie is immers iedereen gelijkwaardig. Dit betekent dat filosofische hoogvliegers door één deur moeten met hardwerkende boeren en iedereen mag kakelen tot hij een ons weegt maar zich uiteindelijk moet realiseren dat anderen met hun verschillende waarheidsvinding net zoveel te vertellen hebben.

Dit leidt tot een politiek landschap waarin vergezichten en grotere ideologieën het niet ver schoppen. Deze hebben als nadeel dat ze een nauwe groep mensen aanspreken die het er waarschijnlijk toch al mee eens waren. Wat wel werkt is het voeren van een breed gesprek, waarin we ervaringen met elkaar uitwisselen en nadenken over de staat van onze samenleving. Ideologieën en vergezichten kunnen een houding bieden om zo’n gesprek in te stappen maar zitten vaak ook in de weg door de ervaringen van een ander te overschreeuwen.

 

Het brein van de democratie.

In een wereld waarin alle mensen zelf mogen denken moeten zij aangesproken worden op hun eigen denk- en zienswijze willen ze overtuigd worden. Dit doet men niet met groots gepreek maar door het benoemen van communiceerbare, klinkklare waarheden waar iedereen bereid is over te denken. Daar ligt dan ook de grens van het democratisch haalbare: kun je het niet aan een meerderheid uitleggen, dan moet je het niet doen. Dit kan aan de ene kant een kwestie zijn van het loslaten van hoogdravende idealen, maar is aan andere zijde een zaak van inlevingsvermogen en waardering van de medemens als bron van wijsheid. In plaats van neer te kijken op mensen die je niet begrijpen, probeer je uit te gaan van de dingen die je samen snapt. Zo komt men tot een stevige basis van gedachten waarop een democratie kan bouwen en verder denken.

Dit denken verschilt van dat van de zolderkamergeleerde die in zijn eentje een bouwwerk kan maken met hemelse proporties. Door dit verschil kan een denker zich machteloos voelen in een democratie, of beknot. De kracht van een publiek denken is echter dat het zijn wortels in de werkelijkheid niet zo makkelijk verliest. In een werkende democratie zal het duidelijke de discussie winnen van het obscure en komt men verder door voorzichtig bewegen in plaats van roekeloze omwentelingen die even vaak een stap vooruit zijn als twee stappen terug.

 

Wie visie heeft..

Democratieën gaan samen met een aanname van gelijkheid. Dit betekent echter niet dat iedereen even slim is, of geschikt om het land te besturen, maar dat we alle mensen serieus nemen. Voor liefhebbers van hoogdravend denken is dit een nadeel maar het heeft ook voordelen: Er is voor iedereen een publieke uitlaatklep en ons land wordt stabiel en doordacht bestuurd. Hiervoor moeten wij begrip tonen voor de kenvermogens van elkaar en vooral veel met elkaar praten en debatteren. In publieke discussies is het belangrijk voor figuren zelf dat ze zich algemeen begrijpelijk houden en anderen iets aan ze hebben om over na te denken en te overwegen. Van hieruit kunnen alle mensen samen denken, en komt er een publiek denkproces op gang dat het brein van de democratie vormt. Daarmee hebben we het maar te doen: een beter denkproces om een staat op te bouwen is tot op heden immers niet geconstrueerd.

Van hieruit bekeken is een visionair al gauw een ordinaire luchtfietser, en moet eenieder met visie misschien wel naar de oogarts. Al was het maar om hem scherp te stellen op het hier, het nu, de medeburger en het wenselijke.

 

Pieter Bas

Redacteur De Jonge Liberaal 2020