Geen gezeik, niet iedereen is rijk

Op aarde is niets eerlijk verdeeld. De rijkdom en voorspoed is in handen van een kleine bovenlaag en de meeste mensen hebben het gewoon niet goed genoeg. Vaak horen wij dat dit komt door uitbuiting, zoals de mensen in Bangladesh die voor weinig geld en onder erbarmelijke omstandigheden T-shirts maken voor de westerse markt. Vervolgens krijgen we over Kongo te horen van de International Rights Advocates, die westerse ondernemingen aanklagen die gebruik maken van productiefaciliteiten in de derde wereld. (De jacht op kobalt waar geen bloed aan kleeft, 2020). Dit is echter slechts gezeik, gebaseerd op de gedachte dat welvaart met een schuldgevoel moet komen. Waarin het namelijk geen basis kent is een realiteit waarin voor de mensen het werken onder zulke omstandigheden een stapje omhoog is op de sociaaleconomische ladder.

Rijkdom als sociaal construct

In den beginne, wat was er toen? We kunnen rustig stellen dat de aarde woest en ledig was. Er was geen dagelijks brood, mensen woonden in grotten en de kindersterfte was zo hoog dat het een klein wonder mag heten dat de soort in stand is gebleven. Armoede bestond in het extreme geval van leven in een grot en het moeten jagen op mammoeten.

Loopt u nu een socialist tegen het lijf die roept: ‘Armoede is een sociaal construct!’ Dan zult u aan uw water voelen dat dit pertinent onjuist is. Wat geconstrueerd is, is rijkdom. Armoede en gebrek, dat was er altijd al. Men hoeft ook vrij weinig te construeren om op niks uit te komen. Armoede is niet verwonderlijk, de nul-toestand: De prehistorie, dat was pas armoede. In plaats van ons te verwonderen dat er mensen in armoede leven op aarde, is het een stuk eerlijker om ons eerst te verbazen over de welvaart die er gecreëerd is. Mochten we ons vervolgens willen bekommeren over de armen, dan kan dat alsnog iets goeds zijn. Echter is dat geen plicht, zoals de socialist u zou willen doen geloven.

Lage-lonen-fabrieken

Activisten wijzen ons tegenwoordig maar al te vaak gewezen op de erbarmelijke toestanden waar tot voor kort Chinezen, maar met name de mensen in Bangladesh en Congo in moeten werken om ons goedkope katoen te vervaardigen. Dit zou een vorm van moderne slavernij zijn en daar moet volgens hen een einde aan komen. Uit het feit dat de mensen daar geen slaven zijn, en er vrijwillig voor kiezen in mensonterende toestanden te werken kan men afleiden dat het alternatief waartoe zij gedwongen waren, een stuk vervelender voor ze was.

Het vorige kan nog iets aangedikt worden. China was ooit enkel bekend om de vreselijke arbeidstoestanden maar is tegenwoordig een economisch wonder geworden. China geldt als een lichtend voorbeeld van een arm land dat door zich te laten ‘uitbuiten’ rijk is geworden. Vreemd, zou je zeggen, want meestal werkt uitbuiting niet zo.

Goedkope arbeid blijkt in dan voor landen waarin het opleidingsniveau laag is en waar geen institutionele basis is voor een efficiënt bedrijfsleven de enige manier om zelfstandig tot ontwikkeling te komen. Dit is iets radicaal anders dan de gestelde uitbuiting. Sterker nog: Vergelijken wij China met landen die ontwikkelingshulp krijgen, dan moeten wij toch stellen dat een hoop lage-lonen-fabriekjes een stuk effectiever kan zijn dan alle humanitaire hulp die er tot nog toe geboden is.

Bij dit punt hoort nog een uitspraak van Amnesty International. Deze organisatie stelde in het FD van 28 januari jongstleden over de kobaltmijnen in Afrika dat het ‘boycotten van de Congolese gravers, niet de oplossing is voor de problemen. De bevolking van het Afrikaanse land is straatarm en de mijnen zijn een manier om geld te verdienen, hoe weinig ook.’ Vervolgens pleit Amnesty voor betere arbeidsomstandigheden, met behoud van banen (De jacht op kobalt waar geen bloed aan kleeft, 2020). Of dit kan is maar zeer de vraag, in de regel treffen maatregelen om arbeiders te beschermen namelijk de minder bekwame werknemers (Friedman, 1980). Deze zouden doordat ze de hogere arbeidskosten, die onvermijdelijk komen kijken bij verbetering van omstandigheden, niet op kunnen leveren alsnog op de modderige straten van Congo belanden.

Corruptie

Corruptie heeft een enorm negatief effect op de ontwikkeling van welvaart. Op dit punt scoort Congo met zeer slecht: het is het elf na corruptste land ter wereld.  (CPI, 2019). Het is door deze corruptie een erg arm land, gezien de gigantische rijkdommen die er in de bodem zitten.

Echter moet ook hier gezegd worden dat het zwartmaken van internationale bedrijven die zaken doen met corrupte landen niet helpt. De corrupte overheden zijn in het beleid omtrent hun eigen corruptie niet internationaal aansprakelijk. De enige manier waarop van buitenaf effectief gepoogd wordt hen te bewegen tot integriteit is door internationale handelsallianties zoals de OECD waardoor bedrijven en landen betrokken worden in een strijd tegen corruptie. In deze conventie worden de bedrijven die in corrupte landen actief zijn als oplossing aangewend tegen corruptie. Dit wordt gedaan door landen die lid willen worden ertoe te zetten anti-corruptie wetgeving op nieuwe niveaus te handhaven. Vervolgens past dit zich toe op de overzeese activiteiten van ieder bedrijf dat zich vestigt in een westers land (Peng, 77-79). Het onmogelijk maken van bedrijvigheid die onder deze handhaving valt, zoals de International Rights Advocates dat willen, kan dit middel tegen leed en armoede enkel aantasten.

Conclusie

Wat we kunnen concluderen, is dat we de werkgelegenheid die de globale economie in de derde wereld biedt niet direct mogen omschrijven als uitbuiting. Sterker nog: Het is een middel dat armere landen een kans biedt om hun eigen welvaart te ontwikkelen. Zie het als een gevalletje trickle-down-economics: Dat de arbeidsomstandigheden triest zijn wordt hier niet weggenomen, echter is de mogelijkheid voor deze arbeiders om productief werk te doen weldegelijk van toegevoegde waarde.

Willen we toch iets doen voor de kleinere economieën elders, dan zou men zich kunnen richten tegen corruptie en voor vrije bedrijvigheid. Dit zodat iedereen op aarde de kans krijgt iets waardevols voor een ander te doen en zo op eigen kracht zijn fortuin kan verdienen. Verder is alleen nog het redelijke geloof nodig dat de mensen daar het echt kunnen. Immers, als we echt denken dat alle mensen gelijk zijn, dan volgt daar ook uit dat volkeren elders ter wereld net zo goed op eigen kracht hun rijkdom kunnen ontwikkelen.

 

Pieter bas

Redacteur De Jonge Liberaal 2020

 

Geciteerde werken

CPI. (2019). Transparency International. https://www.transparency.org/cpi2019

Friedman, M. (Regisseur). (1980). Who protects the worker? [Film].

Peng, M. W. (77-79). Global Business third edition.

Slegers, J. G. (2020, januari 28). De jacht op kobalt waar geen bloed aan kleeft. Financieel Dagblad, pp. 10-11.