Verboden politieke partijen in Nederland

De vrijheid van meningsuiting is een belangrijk grondrecht binnen ons koninkrijk. Ook voor grondrechten geldt dat deze niet uitputtend zijn. Als er andere grondrechten in het geding komen, heeft de Nederlandse rechter de mogelijkheid om in te grijpen. Dit geldt ook voor politieke partijen. Ondanks het feit dat Nederland een parlementaire democratie is, zijn er in de loop der tijd een aantal politieke partijen verboden. Hoe verhoudt zo’n verbod zich tot de democratie? En welke politieke partijen zijn er in ons land verboden?

Grondslag

Nederland heeft geen specifieke wet die ziet op het verbieden van politieke partijen. Daarnaast ontbreken er specifieke juridische criteria om een politieke partij aan banden te leggen. Welke mogelijkheden biedt de huidige wet- en regelgeving?

Doordat een politieke partij een rechtspersoon is, is artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. Uit dit artikel volgt dat een rechtspersoon op verzoek van het Openbaar Ministerie door de rechtbank verboden en ontbonden verklaard kan worden, als de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde.1 Maar wanneer handelt een politieke partij dusdanig in strijd met de openbare orde (ruim begrip) dat deze voor een verbod in aanmerking komt?

In de eerste plaats is het van belang om onderscheid te maken tussen de werkzaamheid en het doel van de rechtspersoon die strijdig is met de openbare orde. Hier gelden namelijk verschillende regels voor. Een rechtspersoon die enkel een ongeoorloofd doel heeft, is onvoldoende grond om over te gaan tot een verbod. Het doel wordt bepaald aan de hand van het statutaire doel en de middelen die in de statuten staan omschreven.2 Wat valt er onder werkzaamheid? Het gaat om de feitelijke werkzaamheid van de rechtspersoon. Wanneer derden gedragingen doen waarbij de rechtspersoon niet zelf rechtstreeks betrokken is, dan kunnen deze gedragingen alleen aan de rechtspersoon worden toegerekend als bijzondere feiten en omstandigheden daar een grond toe bieden.3

Voor het antwoord op de vraag, wat onder strijd met de openbare orde moet worden verstaan, is artikel 8 van onze Grondwet van belang. Uit deze Grondwetsbepaling volgt namelijk dat het recht tot vereniging wordt erkend, maar dat dit recht bij wet kan worden ingeperkt in het belang van de openbare orde. Handelingen in strijd met onze grondrechten zijn in strijd met de openbare orde.  Voorbeelden hiervan zijn discriminatie en het gebruiken van geweld tegen personen met een andere mening. Doordat deze handelingen de samenleving kunnen ontwrichten als ze op grote schaal toegepast worden, is er sprake van strijd met de openbare orde.4

Wanneer is een werkzaamheid van een rechtspersoon in strijd met de openbare orde? In zowel artikel 8 van de Grondwet als in artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, staat het recht van vereniging omschreven. Hieruit valt op te maken dat het recht van vereniging een grondrecht is. Als je de rechter oordeelt dat een rechtspersoon verboden dient te worden, dan vindt er in feite dus inbreuk van een belangrijk grondrecht plaats. Iets dat in Nederland, als democratische rechtstaat enkel als ultimum remedium mag worden toegepast. Bij het bepalen of er sprake is van strijd met de openbare orde wordt gekeken of er gedragingen zijn die vanuit maatschappelijk oogpunt niet getolereerd worden. Volgens de Hoge Raad moet het verbieden van een rechtspersoon als noodzakelijke maatregel gezien te worden, die ziet op het voorkomen van gedragingen die daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen voor onze grondrechten en de samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten.5 Het is de taak van de rechter om te oordelen of een verbod en ontbinding noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde.6 Zeker als het gaat om politieke partijen, ligt dit gevoelig. Er moet in dat geval dan ook zeer terughoudend met het verbieden omgegaan worden. Wordt een rechtspersoon verboden en ontbonden? Dan is het deelneming aan voorzetting van de werkzaamheid van de rechtspersoon strafbaar op grond van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.7

Verboden politieke partijen in Nederland

Ondanks de terughoudendheid die bij het verbieden van partijen wordt geboden, zijn er in het verleden aan twee Nederlandse politieke partijen een halt toegeroepen. De Nationaal Europese Sociale Beweging (NESB) en de Nationale Volkspartij/CP’86 werden door de rechter opgeheven.

Nationaal Europese Sociale Beweging (NESB)

In het voorjaar van 1953 wordt de Nationaal Europese Sociale Beweging (hierna: NESB) opgericht.
De NESB is een onderdeel van de Europese Sociale Beweging (ESB). De ESB staat bekend als een fascistische organisatie die op internationaal niveau actief is. De beweging richt zich tegen het Europa dat na de Tweede Wereldoorlog is ontstaan. In de beginselverklaring van de partij zijn  impliciet elementen van het nazisme terug te vinden. In de zomer van 1953 houdt de NESB colportage op straat. Dit leidt al snel tot arrestaties en huiszoekingen bij de leden die zich in de top van de partij bevinden. Het Openbaar Ministerie gebruikt hiervoor als grondslag, het Besluit ontbinding Landverraderlijke organisaties. De rechtbank van Amsterdam is van oordeel dat de NESB als voortzetting van de NSB gezien dient te worden. De oprichter, Wolthuis en van Tienen, worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. Er volgt een hoger beroep, waarbij het gerechtshof van Amsterdam uiteindelijk oordeelt dat beide heren vrijgesproken moeten worden. Tot slot buigt de Hoge Raad zich in cassatie ook nog over de zaak. Volgens de Hoge Raad had het gerechtshof meer naar de feitelijke werkzaamheid moeten kijken, dan naar de inhoud van de beginselverklaring van de NESB.8  Aan de hand van het Besluit Ontbinding Landverraderlijke Organisatie wordt in 1955 de Nationaal Europese Sociale Beweging (NESB) ontbonden.[De Volkskrant, Rechter verbiedt CP’86 wegens discriminatie, 19 november 1998,https://www.volkskrant.nl/archief/rechter-verbiedt-cp-86-wegens-discriminatie~a451011/.]

De Nationale Volkspartij/CP’86

In november 1996 vraagt minister Sorgdrager van justitie, het Openbaar Ministerie om een onderzoek in te stellen naar de Nationale Volkspartij/CP’86. Tijdens een bijeenkomst hebben de politici Glimmerveen en Mordaunt uitlatingen gedaan die volgens de minister aanleiding tot onderzoek geven. Er wordt namelijk opgeroepen tot ‘vernietiging van democratische politici’ en ‘beëindiging van de joodse overheersing van Nederlandse partijen’. De partij geeft aan afstand te doen van de gedane uitlatingen.9

Op 18 november 1998 is De Nationale Volkspartij/CP’86 verboden en ontbonden verklaard door de rechtbank van Amsterdam. De extreemrechtse partij roept volgens de rechtbank op tot discriminatie en haat tegen minderheden.10 De partij maakt zich volgens de rechtbank schuldig aan ‘handelingen, die inbreuk maken op algemeen aanvaarde grondrechten, zoals ongerechtvaardigde aantasting van andermans vrijheid of menselijke waardigheid’.11 De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheid van de partij uit niets anders bestaat dan het oproepen en aanzetten, dan wel bevorderen, van het discrimineren van allochtonen. Iets wat in strijd is met de openbare orde, zoals genoemd in artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek. De rechter kijkt in deze zaak niet naar het criterium ontwrichting van de samenleving.1

Slot

Openbare orde vormt het sleutelbegrip als het gaat om het oordeel of een politieke partij gehandhaafd kan worden. Onze grondrechten zijn van dusdanig groot belang, dat politieke partijen die in hiermee in strijd handelen, verboden kunnen worden op de grond dat er sprake is van strijdigheid met de openbare orde. Gelet op de trias politica zal er wel altijd terughoudendheid bewaard moeten worden als het gaat om het verbieden van politieke partijen.

 

Show 12 footnotes

  1. G. Molier, NJB 2016/1754, Het verbod van een politieke partij.
  2. Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/393.
  3.  HR 26 juni 2009, NJ 2009/396 (OM/Stichting Hells Angels Northcoast Harlingen c.s.).
  4. MvA, Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5, p. 3.
  5. HR 26 juni 2009, NJ 2009/396 (OM/Stichting Hells Angels Northcoast Harlingen c.s.).
  6. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948NJ 2014/507 (Vereniging Martijn)
  7. J. Roest. Tekst en Commentaar Burgerlijk Wetboek, commentaar op artikel 2:20 BW.
  8. http://www.annefrank.org/nl/Educatie/monitor/Kronieken/Kroniek-extreemrechts/Oude-Kameraden/NESB/
  9. Trouw, Strafrechtelijk onderzoek naar Volkspartij/CP’86, 6 november 1996, https://www.trouw.nl/home/strafrechtelijk-onderzoek-naar-volkspartij-cp-86~a232462a/.
  10. De Volkskrant, Rechter verbiedt CP’86 wegens discriminatie, 19 november 1998,https://www.volkskrant.nl/archief/rechter-verbiedt-cp-86-wegens-discriminatie~a451011/.
  11. Rechtbank Amsterdam 18 november 1998, NJ 1999/377, r.o. 4.3 en 4.4.3. 
  12. G. Molier, NJB 2016/1754, Het verbod van een politieke partij.

image sources

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *