De oorsprong van de Brexit – deel I

Op de ochtend van 24 juni 2016 schokte de uitslag van het Britse referendum over de Europese Unie de Europese politiek: het Britse volk had nipt voor een Brexit gestemd. Zelfs van een land dat altijd al een ingewikkelde verhouding met de Unie had was niet verwacht dat dit de uitslag zou zijn. Euroscepsis stond boven de partijen, maar waar is nou precies de oorsprong van euroscepsis in de Britse politiek en hoe hebben de Britse sleutelfiguren tussen de oprichting van de Unie en de Brexit tegen het Europese project aan gekeken?

De wereldvisie van Churchill

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was duidelijk dat het Britse Rijk zijn beste tijd had gehad. Er brak een nieuwe periode aan in de wereldpolitiek en Groot-Brittannië moest zich daarin handhaven om de schade van het uiteenvallende rijk te beperken. Winston Churchill had hierin een visie die berustte op drie pijlers. Allereerst moest Groot-Brittannië nauwe banden onderhouden met de landen van de Commonwealth. Ten tweede moest de relatie met de Verenigde Staten stevig blijven. Churchills derde pijler was Europa: Groot-Brittannië moest betrokken blijven bij de gebeurtenissen in Europa.1 Vanuit dat idee was Churchill een van de belangrijkste voorstanders van Europese eenwording. Iets wat Churchill bewees in zijn toespraak in Zürich in 1946 waarin hij pleitte voor een Verenigde Staten van Europa.2 Churchill zag Europa als de bakermat van de beschaving en had gezien hoe oorlogen het continent hadden verwoest. De vrede en hoop van de hele mensheid waren, zo zei hij, geruïneerd. Dit was een opmerkelijke draai ten aanzien van zijn vooroorlogse visie, waarin hij nog zei niks te zien in Britse betrokkenheid bij Europese eenwording. Gedachten die na de oorlog als sneeuw voor de zon verdwenen leken te zijn toen Churchill het Europese ideaal met hart en ziel verdedigde. Dit had te maken met de dreiging van het communisme die Churchill met internationale samenwerking probeerde tegen te gaan.3

Churchill was wel sceptisch over de Britse rol in het Europese geheel. Hij kon het Verenigd Koninkrijk niet als gewoon lid van de Unie zien.4 De verklaring hiervoor werd gegeven door een van zijn opvolgers: Edward Heath.5 Churchill was, zo zei Heath, sceptisch over Brits lidmaatschap van de Unie omdat hij vreesde dat Groot-Brittannië de door hem voorziene centrale rol tussen de drie pijlers niet kon vervullen als het land te zeer verweven was in de Unie. Dit is het punt waarop de verwarring ontstaat over de vraag of Churchill wel of geen euroscepticus was. Churchill was inderdaad terughoudend ten aanzien van Europees lidmaatschap. Maar zijn terughoudendheid was gebaseerd op de omstandigheden van de tijd, niet op een anti-Europees principe. Het was hierom dat tijdens de ondertekening van het Verdrag van Parijs in 1951, waarbij de EGKS werd opgericht, Groot-Brittannië niet aan de tafel zat. De Britten hielden zich echter niet geheel buiten de Europese eenwording, want bij de oprichting van de West-Europese Unie in 1948 deden de Britten wel mee. Voorts deed de regering-Attlee in 1949 mee aan de oprichting van de Raad van Europa. Churchill bleef altijd positief over de EGKS en sprak de hoop uit dat uiteindelijk een federale constitutie van Europa bereikt zou worden.6

De weg naar de EEG

De Britse houding ten aanzien van het Europese project veranderde snel. In 1960 ging het Verenigd Koninkrijk een handelsverdrag aan met zes andere Europese landen. Geen van de toenmalige leden van de EGKS was daarbij betrokken. Na de Suezcrisis van 1956 dienden de Britten in 1961 een lidmaatschapsaanvraag in. De meeste leden van de EEG waren er voor, echter gooide een veto van de notoir anglofobe Franse president Charles de Gaulle in 1963 roet in het eten. In 1967 liep de tweede lidmaatschapsaanvraag van de Britten ook stuk op een Frans veto.7 In 1969 trad De Gaulle af als premier. De regering van Edward Heath diende opnieuw een lidmaatschapsaanvraag in, die door de leden van de EEG grotendeels hartelijk werd ontvangen. De Europese economie was minder goed gaan draaien en het Britse lidmaatschap werd gezien als een mogelijkheid om het tij te keren. Het aftreden van De Gaulle betekende echter niet dat de Fransen de Britten nu met open armen ontvingen: pas na een twaalf uur durend telefoongesprek tussen Heath en de Franse president Georges Pompidou werd de Britse lidmaatschapsaanvraag geaccepteerd door de Fransen. In 1972 werd het toetredingsverdrag ondertekend dat van kracht werd op 1 januari 1973.

Strubbelingen in de regering

Heath had niet veel gelegenheid om Europees beleid te voeren. In 1974 verloor de Conservative Party de verkiezingen en werd Harold Wilson opnieuw premier.8 Een van de punten in het verkiezingsprogramma was een fundamentele heronderhandeling van de voorwaarden waaronder het Verenigd Koninkrijk was toegetreden.9 De reden dat dit in het verkiezingsprogramma terecht was gekomen was dat Labour intern geen overeenstemming over het Europese lidmaatschap wist te bereiken. Enkele maanden na Wilsons installatie als premier begonnen de heronderhandelingen, waarbij vooral werd ingezet op een significante reductie van de Britse financiële bijdrage aan de EEG. Ook wilden de Britten hervormingen in het gezamenlijk landbouwbeleid en een groter marktaandeel voor boeren uit de Caraïben en Nieuw-Zeeland (tot en met 1977). Alleen ten aanzien van het marktaandeel van de boeren werd enig resultaat van belang bereikt bij de Europese top van 1975 in Dublin. Wilson moest zijn verlies toegeven en stopte de onderhandelingen. Op 5 juni 1975 werd een referendum georganiseerd waarbij de vraag was of het Verenigd Koninkrijk lid zou blijven van de EEG. 67% van de kiezers stemde voor blijven, niet in de laatste plaats omdat de leiders van de drie grote partijen (Wilson voor Labour, Thatcher voor de Conservative Party en Thorpe voor de Liberals) zich achter de voor-campagne schaarden. Ook de leden van deze partijen stemden grotendeels voor Europees lidmaatschap, hoewel dit bij Labour minder overtuigend gebeurde dan bij de andere twee partijen. Binnen Labour heerste nog steeds strijd over het Europees lidmaatschap, waarbij de centrumrechtse vleugel voor lidmaatschap was en de linkervleugel tegen. Na het referendum kreeg de linkervleugel steeds meer invloed binnen de partij en Labour ging zich steeds meer afzetten tegen de EEG.

Vond je het eerste deel over de Brexit interessant en wil je graag verder lezen? Klik dan hier om verder te gaan in deel twee!

Foto door Wout Brouwer

Show 9 footnotes

  1. Documentaire “Churchill – The Nation’s Farewell”
  2. Winston Churchill, toespraak Zürich 29 september 1946, zie o.a. Cowles 1954, 419
  3. Winston Churchill, ter herinnering 1874-1965, Elsevier 2010, p.80
  4. De Churchill Factor, Boris Johnson 2015, p318
  5. http://www.independent.co.uk/voices/a-euro-sceptic-churchill-never-1365239.html, geraadpleegd 11-07-2016
  6. Winston Churchill, toespraak Londen 14 mei 1947, zie Cowles 1954, 421
  7. http://news.bbc.co.uk/onthisday/hi/dates/stories/november/27/newsid_4187000/4187714.stm. Geraadpleegd 13-07-2016
  8. Wilson was tussen 1964 en 1970 ook al premier geweest en had de onderhandelingen over de tweede lidmaatschapsaanvraag gevoerd.
  9.  Britain and European Integration since 1945, on the sidelines, p.80

image sources

  • Statue-Winston-Churchill-Brexit: Wout Brouwer

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *