De industriële revolutie

Engeland, 1763; daar is het begonnen. James Watt kreeg de opdracht om de bestaande stoommachines te verbeteren. Deze zogenaamde Newcomen-stoommachines, vernoemd naar de mijnbouwkundige ingenieur, werden gebruikt om enerzijds overtollig water uit mijnen op te pompen en anderzijds om de benodigde druk op te bouwen voor de watervoorziening in Londen. Tussen 1765 en 1782 slaagde Watt er echter in om het rendement met een factor drie te verhogen om de stoommachine geschikt te maken als energiebron voor andere toepassingen.

Het begin van de industriële revolutie is ingezet door deze innovatie, waardoor arbeid niet langer afhankelijk was van manuren, werkdieren, windmolens of waterkracht. Vanuit Engeland kreeg deze grootschalige maatschappelijke verandering geleidelijk aan voet aan de grond op het Europese vasteland. Naast de stoommachine van James Watt liggen de belangrijkste oorzaken van de industriële revolutie in technologische vooruitgang in zowel de textiel- als de metaalindustrie.

Aanvankelijk werden de mechanische weefgetouwen in de textielfabrieken aangedreven door waterkracht, later door middel van de stoommachine. Hierdoor werd het mogelijk om de toegenomen bevolking blijvend van kleding te kunnen voorzien. In de metaalindustrie werd de brandstof voor ijzerproductie vervangen. In plaats van pure steenkool werd voortaan gebruik gemaakt van een gezuiverde, voorbewerkte variant van het materiaal, bekend onder de naam cokes. Dit resulteerde in een efficiënter proces en lagere productiekosten.

Door de mechanisatie konden fabrieken toe met minder arbeiders en door de enorme schaalvergroting van de productie kwam er handel op gang, met daarmee gepaard gaande welvaart. De industriële revolutie had tot gevolg dat, voor het eerst in de geschiedenis, de levensstandaarden van de gewone burger over een langere periode, zijn blijven stijgen. De schaalvergroting van de productie zorgde ook voor dalende prijzen waar een ieder profijt van had.

Verdere industrialisatie leidde tot verstedelijking rondom de productiekernen. Veel gezinnen trokken naar de steden met fabrieken op zoek naar werk. ‘s Werelds eerste industriële stad, Manchester – bekend om de katoenproductie-, bereikte een verzesvoudiging van de bevolking in zestig jaar. De arbeidsomstandigheden waren vreselijk: lange dagen, lage lonen en kinderarbeid. De fabriekseigenaren baadden in weelde, maar door de aanwezigheid van zoveel arbeidskrachten was er geen prikkel om de omstandigheden te verbeteren; er was gewoonweg geen schaarste.

Slechte omstandigheden leidden er uiteindelijk toe dat de arbeiders zich gingen verenigen om samen te strijden voor een verbeterd arbeidsklimaat. Halverwege de negentiende eeuw werden deze verbanden vastgelegd en ontstonden de eerste vakbonden. Door middel van deze collectieve organisaties probeerden de arbeiders hogere lonen, meer vrije dagen of een verbeterd werkklimaat af te dwingen. Het zijn deze organisaties die aan de wieg staan van het socialisme binnen het politieke spectrum.

image sources

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.